Ritme, rust en regelmaat in de kleuterklas

Een ritmisch dagverloop waarin veel tijd en aandacht is voor het buiten spel en  voor het ambachtelijk werken is gezondmakend voor de kinderen. De reden ligt in de huidige tijd en wat het kind nodig heeft. In deze tijd zit het kind te veel binnen, kan hierdoor te weinig zintuiglijke ervaringen opdoen en daardoor onvoldoende tot in alle wezensdelen komen en dit is wel nodig om straks in de gevoelsfase tot verder leren te komen. Daarom meer aandacht voor spel en ambachtelijk werken.

Rust voor volwassenen betekent vaak even tv kijken, computeren, passief zijn. Voor kinderen geldt dat zij in de beweging hun rust vinden. De buitenlucht en de beweging –wandelen, fietsen, buitenspelen- zorgen ervoor dat de indrukken die via de zintuigen binnenkomen, kunnen worden verwerkt. Na het derde jaar nemen de kinderen de dagelijkse indrukken mee de nacht in en worden ze verwerkt in hun slaap en als verwerkt bezit weer de dag mee ingenomen. Het op tijd in en uitademen op de dag in een ritmisch verlopend dagrooster werkt hierbij ondersteunend.

Om negen uur gaan we naar buiten voor het vrije buitenspel. Buiten komt het kind in aanraking met de vier elementen: aarde, water, licht/lucht en vuur en worden de onderste vier lichaamsgerichte zintuigen aangesproken/gestimuleerd. Deze vier haptozintuigen zijn naar binnen gericht. Zij helpen ons iets van onszelf waar te nemen. De tastzin: de aarde, fruit, brood, eten, zandbak, modder. De levenszin: water- vloeistoffen, zingen, rijmpjes, ritme, (de levensprocessen worden waargenomen, wanneer zij niet goed functioneren: misselijkheid, maagpijn). De bewegingszin: lucht/licht, (het zintuig waarmee je waarneemt dat je beweegt) vitaliteit, klimmen, wandelen, rennen, bewegen, touwtje springen, schommelen, hinkelen, springen, vallen. Evenwichtszin: vuur- warmte- enthousiasme, opstaan, oriëntatie in de ruimte, waar bevind ik me nu, informatie komt via ogen. Evenwicht vinden in jezelf en met de buitenwereld

Het is nodig dat er in deze tijd meer ruimte (gelegenheid) en aandacht komt voor het stimuleren van deze tastzintuigen. Via deze zintuigen wek je het middengebied (ziel: denken, voelen, willen) van het kind, en wordt het kind ook gestimuleerd in gericht handelen (beweging vanuit het denken naar het doen) en om via tastervaringen tot ontdekkingen te komen (van doen naar denken). Op deze wijze verstevig je de verticale beweging tussen onderstroom en bovenstroom. Anders gezegd; tussen ziel, ik wezen en fysiek, etherisch kant. Een groeiende groep kinderen laat een groot verschil zien tussen denken en handelingsvaardigheid. Ook zie je op dit gebied verschil tussen meisjes en jongens en vragen ze een andere benadering en ander aanbod van spelmateriaal. Jongens hebben het bijvoorbeeld nodig om vuurtjes te stoken (vaders ook): leer ze dit dus op een veilige manier. In de modder spelen en in plassen stampen: een ervaring waar je groot van wordt. Met stokjes peuren, rondscharrelen.

In het vrije spel worden basisvaardigheden op het sociale, emotionele en motorische vlak ontwikkeld, vooral ook fantasiekrachten en daarmee de intelligentie. In spel en andere kunstzinnige activiteiten kan het kind zijn eigenheid beleven en vormgeven. Juist het op eigen wijze vormgeven versterkt het zelfgevoel, het ik. Tegelijkertijd versterkt het daarmee zijn verbinding met het lichaam. Door het werken met handen en voeten zal hij beter aarden. In het spel is ook verschil te zien tussen jongens en meisjes; beiden groeien conform hun aanleg. Spelen is voor het hele leven belangrijk, het helpt de wereld verkennen en bevordert de fantasie. En dan gaat het dus om het vrije spelen, het spel dat zich ontwikkelt uit de situatie. Spelen is eigenlijk de onderzoekende activiteit van een ik in ontwikkeling. Een kind presenteert zichzelf in zijn spel. Hij kan zo volledig in zijn spel opgaan dat hij niets van de omgeving merkt, hij ís dan zijn spel. Doen alsof is een belangrijk onderdeel van het kinderspel. Kinderen leren daarbij dat bij het uitbeelden van een ander ook ander gedrag hoort. Het spelen in een gemeenschap die z’n eigen regels heeft, die niet door volwassenen wordt bestierd en waar kinderen stapsgewijs kunnen leren zich in die gemeenschap te gedragen, is onmisbaar voor de persoonsontwikkeling. Dat ze van elkaar spelletjes en spelregels leren  maakt het voor kinderen mogelijk maatschappelijke vaardigheden te ontwikkelen en zich te meten met ‘gelijken’.

Nabootsen en voorbeeld. Kleuters hebben de drang na te doen wat ze van volwassenen zien. Ze doen alles na, bijvoorbeeld in het huishouden, de was ophangen, afwassen, met stoffer en blik iets opvegen, koekjes bakken, maar ook computeren, lezen, bellen, lopen, fietsen. Zo leren kinderen.

Bij het nabootsen (innerlijk boetserend, bewegend) is het hele lichaam betrokken, tot in de gebaren, de bewegingen gaan ze mee. Kinderen nemen ook in hun eigen gedrag alles van de volwassene over. Dat doet een groot appèl op de volwassene: is mijn gedrag nabootsenswaardig?

Daarbij is het nodig dat de kinderen in hun omgeving ook iets zinvols beleven en dat gebeurt als het kind handelingen ziet waarbij het gemakkelijk de zinvolle samenhang tussen opeenvolgende onderdelen kan begrijpen. Bijvoorbeeld: wanneer een brood gebakken wordt of een stoel wordt gemaakt.

Wat kinderen vanuit de nabootsing doen is niet eenvoudigweg het imiteren van wat de volwassene doet, ze gaan er helemaal in mee, ook zielsmatig, ze creëren het als het ware zelf. Nabootsen is van belang voor de lichamelijke ontwikkeling, het leren van vaardigheden en ook voor het ontwikkelen van onze sociale vermogens, zoals communiceren, spreken en inleven in de medemens. Een goed voorbeeld geven/zijn is dus van groot belang. Immers, goed voorbeeld doet goed volgen.

In onze huidige tijd gevuld met snelle acties, wisselende contacten, oppervlakkige indrukken, is het nodig om meer aandacht te geven aan het ervaren, het kijken naar en de beleving van oergebaren van ambachtelijk werken omdat dit verdieping en verrijking geeft aan het nabootsen en dit in deze huidige tijd zo ontzettend nodig is. Het geeft ruimte aan geduld, versterkt de concentratie en vult het innerlijk met ware indrukken. Het gaat erom echte ware handelingen en materialen aan te bieden. Van belang is ook de kwaliteit van de dingen die je doet (lopen- iets maken) het hoe je iets doet, het met je aandacht echt erbij zijn.

Werken in de schooltuin, eenvoudige kookactiviteiten, waarbij het aarde element, water, lucht en warmte ruimte kunnen krijgen met aandacht voor de handelingen, het gebaar.

Het gebaar van het hanteren van de schoffel,van het ramen zemen, hoe je je pen vasthoudt, hoe je een aardappel schilt of een appel, de vaat doet, leest, zit, ligt, luistert, kookt, tuiniert, hoe je een bolletje wol opwindt.

Het waarnemen, het beleven, het ervaren komt via de zintuigen binnen en werkt door in alle wezensdelen van het kind. Dit  alles geeft het kind houvast en oriëntatie in de wirwar van dagelijkse indrukken. Hierdoor is het kind in staat zijn eigen mogelijkheden en talenten creatief te gebruiken en te ontwikkelen.

Wat is een Oergebaar -oerbeweging. Tijdens het wol winden wordt de oerbeweging van de handen geoefend: de vingers/ellepijp etc. voert de oerbeweging uit; er ontstaat een lemniscaat (liggende acht of staande acht). Alle ambachten hebben deze oergebaren en het uitvoeren ervan werkt gezondmakend. Het astraallichaam verbindt zich met de andere wezensdelen tijdens het maken van dit gebaar (lemniscaat) en op het moment dat het tegen de zwaartekracht ingaat komt het ikwezen erbij (stretching en lifting). Denk aan slagroom kloppen, vallen en opstaan, schaven van hout. Alle geestelijke inhouden en waarheden komen er in als je een echte timmerman een stoel laat maken, een boer laat zaaien; ze spelen alles na en dan ontstaat er een door oergebaren (wezenlijk) gevuld arbeidsspel en fantasiespel.

Hieronder een schematische weergave van de inhoud

Ontwikkeling van het kind:
Wilsfase 0-7 jaar
Gevoelsfase 7-14 jaar
Denkfase 14-21 jaar

Menskundige uitgangspunten:
Religie         nabootsing�
Kunst           verhaal/spraak/rijmpjes/zang
Wetenschap  spelen

 Haptozintuigen          4 elementen
tastzin                          aarde�
levenszin                      water
bewegingszin                lucht/licht
evenwichtszin               vuur

4 elementen   Wezensdelen
Aarde              fysiek lichaam
Water              etherlichaam
Lucht/licht        astraallichaam (ziel: denken, voelen, willen)
Vuur                ik (ik-wezen)